|
MINISTERIE VAN OORLOG
Onderwerp: Afstand kustverdedigingswerken aan Kon. Landmacht
Hierbij bied ik U aan een afschrift van:
Den brief van den Minister van Marine dd. 7 juni 1946, S.D.399/66/3/46 en van de daarbij behoorende bijlage;
- den brief van den Chef van den Generalen Staf dd. 9 september 1946, Afd. Uitrusting Nr. 27833 van de daarbij behoorende bijlagen I en II en
- van mijn antwoord van dagteekening en nummer als deze, gericht aan den Minister van Marine en van de daarbij behoorende bijlage.
Voorts voeg ik bij de teekening behorende bij den onder b. genoemden brief van den Chef G.S. Deze teekening zal ik na gemaakt gebruik gaarne terugontvangen onder verwijzing naar deze aanschrijving.
Zooals U uit de bijlagen moge blijken, zijn de over te nemen batterijen vast opgesteld. De werken, waarop en waarin zij zich bevinden, de terreinen er om heen, de toegangen naar die werken, zullen in beheer c.q. in
erfpacht bij mijn Ministerie moeten worden hebracht, voor zoover op het behoud dezer werken door den Chef van den Generalen Staf prijs wordt gesteld. Ik verzoek U reeds thans één en ander in overleg met den
Kapitein-Luitenant ter Zee G. VAN HOUWENINGE zoodanig te doen voorbereiden, dat de officiëele overname naar behooren kan geschieden. Teneinde in de noodige bewaking te kunnen voorzien, zoodra de overname plaats
heeft, verzoek ik U voorts:
- mij die voorstellen te doen toekomen als waartoe aanleiding bestaat, waarbij ik aanteeken, zij het ook ten overvloede, dat de kosten van de in 1947 uit te voeren werken moeten worden gebracht ten laste van de U
in uitzicht gestelde fonden; en
- na gehouden overleg met den T.B.N. voorstellen te doen tot het in dienst stellen van wachters, voor zoover de bewaking niet kan geschieden door militair personeel.
DE MINISTER VAN OORLOG
MINITERIE VAN MARINE
’s-Gravenhage den 7 juni 1946
Onderwerp: Afstand kustverdedigingswerken aan Kon.Landmacht
bijlage: 1
Ten vervolge op mijn schrijven van 19 october 1945 Nr.SD 399/66/2/45 en onder verwijzing naar de Haar bekende brieven van het Hoofd van de Sectie III van den NDCS dd.18 jan.1946 Nr.III/1763 en 12
febr.1946 Nr.III/1928 aan den Staf Militair gezag, Sectie Oorlogsbuit, heb ik de eer Uwer Excellentie mede te deelen, dat de Kon.Marine de kust- en havenverdediging aan den wal in de naaste toekosmt niet
op zich kan nemen. De consequentie hiervan is, dat de Kon.Marine geen prijs stelt op het in eigen beheer houden van kustbatterijen en andere verdedigingswerken aan den wal.
In schrijven van Hoofd Sectie III NDCS dd. 18-1-46 Nr.III/1763 werden uitzonderingen genoemd, vermeldende het deel van de krijgsbuit, dat niet vrijgegeven werd. Van dit materiëel wenscht de Kon
.Marine thans nog zelf te behouden:
- de onder 2 vermelde “U-boot pens”,
- de onder 3 vermelde radarpeilinstallaties, vuurleidingstorens en bunkers;
- de onder 3 genoemde automobielen;
- het in de bijlage dezes vermelde artillerie-materieel;
- de bunkers die bij de K.M. in gebruik zijn als opslagplaatsen, huisvesting e.d.;
- de telefoonlijnen als bedoeld onder punt 7;
- alle torpedo- en onderzeebootmaterieel.
Ik verzoek U mij te doen weten of U aanwezige speciale met name te noemen verdedigingswerken wenscht aan te houden c.q. of U los daarvan kanons en munitie uit de buit wenscht over te nemen.
Ik merk hierbij nog op, dat ik door den afstand van het bezetten, het beheer en onderhoud van de kustverdedigingswerken aan de Kon.Landmacht, geenszins een principiëele uitspraak doe omtrent de
vraag in wiens handen t.z.t. de operationeele controle en het bevel over de kustverdediging zal moeten worden gelegd.
Afschrift van dezen brief doe ik toekomen aan den Chef van den Generalen Staf en den Commandant der Zeemacht in Nederland.
DE MINISTER VAN MARINE
DE BOOY
Bijlage bij besch.M.v.M. No.SD 399/66/3/46 dd. 7-6-46 betr.: Afstand kustverdedigingswerken aan de Kon.Landmacht.
Opgave van artillerie-materieel uit de Oorlogsbuit, dat door de Kon.Marine behouden blijft:
1e. eenige der kanons v 15 cm. waarover nader overleg met heet Hoofd van de Hoofdafdeeling Materieel gepleegd dient te worden;
2e. alle kanons v 12 cm. van oorspronkelijke Nederlandsche Marine eigendom;
3e. alle kanons v 10.5 cm. semi-automatisch, antilucht;
4e. 10 kanons v 10.5 cm, (niet anti-lucht);
5e. alle kanons v 8.8 cm.;
6e. alle mitrailleurs v 40 mm. Bofors
7e. alle mitrailleurs v 20 mm. Cerlikon
8e. alle bij de onder 1e t/m 7e genoemde wapens behoorende munitie, benevens alle munitie van het kaliber v 3.7 cm.
9e. een gedeelte van de draagbare wapens en bijbehorende munitie, waarover nader overleg met het Hoofd van de Hoofdafdeeling Materieel gepleegd dient te worden.
DE MINISTER VAN MARINE
J.M. DE BOOY
VAN DEN CHEF VAN DEN GENERALEN STAF
Afdeeling: Uitrusting
AAN: Zijne Excellentie den Minister van Oorlog en
K.M.G. Afd. Oorlogsbuit (Luit.Kol.Siliacue), Chef van den Techn.Staf
’s-GRAVENHAGE, 9 september 1946
Onderwerp: Kustgeschut
Ik moge de aandacht van Uwe Excellentie vragen voor het volgende:
Ingevolge mijn opdracht werd door een Hoofdofficier van denGeneralen Staf en een Hoofdofficier van den Tech, Staf en inspectiereis gemaakt langs de kustbatterijen, door den vijand achtergelaten. Met het
uitgebrachte rapport, waarvan Uwe Excellentie een afschrift hierbij gelieve aan te treffen, stem ik in.
Uit een latere mededeeling van de zijde van de Koninklijke Marine blijkt, dat deze van de 10,5 cm alleen de Marine-Flak batterijen wenscht te behouden. Ten aanzien van de batterijen Westduin, Camp en
Eierland bestaat nog eenige twijfel; dit wordt nog met de Koninklijke Marine opgenomen.
In bijlage I is met groen aangegeven, welke batterijen m.i. in aanmerking komen om door de Landmacht te worden overgenomen. Ik moge ook nog het volgende aanteekenen.
- Indien de kustbatterijen niet aanwezig waren, zou m.i. in het huidige stadium daarvoor slechts zeer geringe belangstelling bestaan. Nu zij echter aanwezig zijn, moeten zij worden geconserveerd.
- Het is te betreuren, dat de moderne batterijen van 10,5 cm. (semi-automatisch) zonder verder overleg worden overgenomen door de Kon.Marine, doch gelet op het gestelde onder a. moet
hiertegen geen bezwaar worden gemaakt.
- Het Zuiderfrontier is nog niet bezocht; door het mijnengevaar in de duinen aldaar zijn de gegevens nog niet bekend. De Koninklijke Marine stelt een onderzoek in.
- Een verschilpunt blijft bestaan t.o.v. de batterij Zanddijk; ik heb begrepen, dat de Marine deze wil behouden voor schietoefeningen. De batterij is echter bij uitstek geschikt voor bestrijking van den
ingang van het Schulpengat.
- Ten gevolge van de reis door het kustgebied is mij gebleken, dat door gebrek aan bewaking en door verwaarlozing zeer veel kostbaar materieel is verdwenen of ernstig beschadigd.
Ik moge Uwer Excellentie in overweging geven goed te keuren:
1e. Dat het op grond van de uitgebrachte rapporten en gelet op de wenschen der Kon.Marine daarvoor in aanmerking komend materieel der voormalige Duitsche kustbatterijen door de Koninklijke Landmacht
wordt overgenomen.
2e. Dat het materieel in conservatie zal worden genomen door zorg van den Kwartiermeester-Generaal.
Ik teken hierbij aan, dat de Kwartiermeester-Generaal, gelet op het feit, dat de Kon.Marine practisch het kustgebied heeft verlaten, reeds met de noodzakelijke werkzaamheden tot behoud van het materieel is begonnen.
3e. Dat tevens worden overgenomen de bunkers, emplacementen, vuurleidingstorens, meetposten, enz. en nabij-verdedigingswerken, die met de onder 1e genoemde kustbatterijen één geheel vormen.
DE LUITENANT-GENERAAL,
CHEF VAN DEN GENERALEN STAF
Mr. H.J. Kruls
|