Bureau Verdedigingswerken

Met dank aan John Verbeek, die mij het volgende bericht toestuurde:

Vanaf de bevrijding zijn de op Nederlands grondgebied aangetroffen Duitse
verdedigingswerken onderwerp van studie. Eerst van de Engelsen, die de voor
hun bedreigende werken en installaties ontmantelen en slopen, veelal nog
voordat de Nederlandse overheid zich een beeld had kunnen vormen van een
eventuele bruikbaarheid. Daarna togen gemeenten aan de slag in het kader van
het oorlogsherstel: alle bunkers, bouwwerken, versperringen, loopgraven,
schuilplaatsen e.d. werden opgeruimd met name waar er sprake was van
economische belangen, bereikbaarheid etc. Daarnaast leverden de gesloopte
werken niet onaanzienlijke hoeveelheden bruikbaar nbouwmateriaal op, zoals
hout, staal, metselstenen. Een en ander lijkt op de situatie van juni/juli
1940 toen door het Nederlandse leger aangelegde loopgraven etc. weer werden
opgeruimd. Dit alles in de gedachte dat er geen oorlog meer zou komen. Zo
werden ook de schuilplaatsen van de Gemeentelijke Luchtbescherming vrijwel
alle meteen gesloopt. Ondertussen was men zich bij Defensie gaan bezinnen op
de door de Duitsers gevolgde strategie bij de verdediging van Nederland. Er
werden studies verricht naar de inundaties, maar ook naar de soorten bunkers
en de ontwikkeling van de versterkingskunst. Bruikbare zaken als geschut,
vuurleidingsapparatuur en munitie waren eigenlijk ondertussen door wanbeheer
en diefstal grotendeels verloren gegaan. De ongebreidelde sloop, de noodzaak
om de Nederlandse strijdkrachten in Indië in te zetten, waardoor er voor de
territoriale verdediging relatief weinig middelen overbleven, en met name de
schok die de politieke omwenteling in TsjechoSlowakije in 1948 te weeg
bracht, vormden aanleiding om de aanwezige Duitse bunkers met andere ogen te
bezien, nl. op hun bruikbaarheid in de dreigende nieuwe oorlog. Aangezien de
Duitse verdedigingswerken natuurlijk niet in de richting Oost lagen, werden
ook de nog bestaande vooroorlogse Nederlandse kazemattenlinies in de studies
betrokken. Van hieraf wordt het een echt overheidsproject. Er wordt een
vergunningstelsel voor bunkers ingevoerd, gekoppeld aan het ter beschikking
stellen van financiële middelen voor de sloop. (Voorheen ging dit uit de
oncontroleerbare pot Wederopbouw). Voordat er sloopvergunning werd verleend,
moest de Generale Staf het fiat geven. Dit gold ook voor niet-aantastend
hergebruik, zoals champignonkwekerijen en padvindershonken. Uiteraard
moesten behalve de Landmacht, ook de Marine en de Luchtmacht bruikbare
werken kunnen claimen. Ter ondersteuning hiervan moest er natuurlijk wel een
beeld zijn van wat waar en hoe. Als eerste vond er een inventarisatie van
verdedigingswerken plaats per (toenmalige) gemeente. Deze inventarisatie
geschiedde schriftelijk door de zorg van de Eerst aanwezend Ingenieurs, die
de Gemeenten benaderden. De response bestond uit lijsten met geografische
aanduidingen, globale functiebenaming, bouwaard (beton, steen, hout etc.) en
status (ruïne, gesloopt, in tact). In deze formulieren werd nog geen
verschil gemaakt tussen Duitse werken, vooroorlogse Nederlandse werken en
zelfs oude forten. Deze gegevens werden op strategisch niveau op kaarten
verwerkt (met kleuren voor Nederlandse en Duitse werken). Waar men voor de
aard van de Nederlandse werken doorgaans op de eigen archieven kon
teruggrijpen, was dit niet het geval met Duitse werken. Weliswaar was er
enig authentiek bronnenmateriaal overgeleverd (Führeratlas, Typenheft), doch
een precies overzicht ontbrak. Bij de Genie werd daarop het Bureau
Registratie Verdedigingswerken opgericht, met als taken het in kaart
brengen, opmeten en tekenen van Duitse verdedigingswerken, alsmede het
administratief ondersteunen van het proces van vergunningverlening voor
sloop of hergebruik. Voor het slopen van bruikbare onderdelen was in de
beginjaren nog de Dienst Beheer Achtergebleven Materieel actief (D.B.A.M.),
die pantserdeuren etc. verzamelde. Leuk detail: op de centrale bergplaats De
Schouw werden deze onhandelbare voorwerpen verzeuld door gevangen NSB-ers.
De verdere sloop werd verricht door particuliere bedrijven, waarbij de
overheid de kosten subsidieerde (laatst nog met veel vreugde ? in Oostburg).
Hoewel de subsidieregeling inmiddels is vervallen blijft de sloop uit
economisch belang onverminderd doorgaan (IJmuiden). Vanwege de moeilijke
bereikbaarheid had het BRV in Zeeland een apart bureau, waarvan de
resultaten in latere jaren bij het centrale BRV werden ondergebracht.
Wat deed nu het BRV? Wel, de oorspronkelijke organieke samenhang van de
Duitse Wehrmacht was verloren gegaan en bestuurlijk irrelevant, aangezien
het op Gemeentelijk niveau speelde. Duitse stellingen lagen veelal over de
gemeentegrenzen heen. Om een systeem in deze chaos te brengen (de GPS
bestond nog niet) werden alle compleen per gemeente voorzien van een letter,
bij een groot aantal complexen werd de letter verdubbeld cq. getripleerd AA
en AAA. Per complex kregen alle ZICHTBARE werken een nummer. Zo kon het
voorkomen dat door verstuiving werken niet werden opgemerkt, terwijl
zaterdagochtend en maandagmorgen blijkbaar ook niet zulke goede momenten
waren om tot een deugdelijke inventarisatie te komen. In Zeeland werd een
andere methode gehanteerd, namelijk Kust en Binnenland met een nummer. De
Zeeuwse kaarten waren kadastrale kaarten met minimale informatie. Voorts
werden hier systematisch alle tekeningen weggeworpen en vernietigd bij sloop
van het betreffende werk of werd onderling verwezen.
Om het voor de latere onderzoekers wat interessanter te maken werd er ook
een tijdje een provinciale nummering gebruikt en werden ook de eerder
toegekende nummers niet erg consistent gehanteerd. Gelukkig dat onze trouwe
opnemers ontdekten dat de Duitsers in hun bunkers wel eens bouwnummers
schilderden. Deze werden doorgaans genoteerd.
Kijken we nu naar de invulling van het inventarisatieproces, dan blijkt dat
er een functionaris het veld in ging met een meetlint en een kladblok en het
betreffende werk opmat. Kunstenaars onder de opmeters namen alles op, zoals
kachels, pijpen, deuren etc. Vermoedelijk geschiedde dit vooral in de zomer
als het prettig toeven was in de duinen. Thuis werden de schetsen uitgewerkt
en op een calque gezet (na een goedkeuringsproces door de chef, die de
opmetingen kritisch toetste en op de tekening zijn afkeurende bevindingen
schreef). In de eerste jaren beschikte het BRV over een of meerdere Duitse
tekenaars, hetgeen te zien is aan de tekenstijl. De calques werden later
afgedrukt. Zowel op de schetsen, als de calques en de afdrukken komen
relevante opmerkingen voor, zodat deze alle geraadpleegd dienen te worden
(overigens in samenhang met situatiekaarten en het kaartsysteem, waarop dus
soms weer andere gegevens staan). Deze bevinding is van groot belang,
aangezien het Rijksarchief zich lang op het standpunt heeft gesteld dat
alleen de calques tot het archief gerekend mochten worden. Bij handhaving
van dit standpunt zullen veel gegevens verloren gaan en wellicht ook delen
van het situatiesysteem.
Nu hebben we een tekening, maar wat is het? De opnemers keken eens rond,
vonden ze stront (na 5-10 jaar?) dan was het een WC, lag er munitie dan was
het een munitiebergplaats. Lag er prokkeldraad en afval dan was het werk
onbekend of werd er iets vermeld als niet-toegankelijk. Aangezien de chef
niet in het veld kwam kon hier kwaliteitsverlies optreden. De ingraving van
werken gaf ook problemen (zoals de praktiserende opmeters onder ons wel
weten), met name vloerplaten, funderingen en muurdiktes werden soms geschat.
Bedacht moet worden dat e.e.a. geschiedde zonder Duitse bron. Meer
gedetailleerd zijn de tekeningen die werden gemaakt bij de sloop van werken
(soms door het BRV verplicht als voorwaarde voor de vergunning). In dat
geval komen we ook gegevens over de wapening en I-profielen te weten.
Naast onze welbekende Regelbautypen komen er ook veel ad hoc constructies in
de bestanden voor. Deze verdienen meer de aandacht dan tot nu toe.
Tot zover enkele gegevens omtrent het BRV, dat naar verwachting op korte
termijn zal worden overgebracht naar het CAD in verband met de sloop van de
Haagse kazernegebouwen.
John